Algemeen
Begripsbepaling
1. In dit statuut wordt bedoeld met:
· diagnostische toets: een toets die niet meetelt bij de bepaling van een rapportcijfer;
· directie: de rector en locatiedirecteuren;
· docenten: personeelsleden met een onderwijstaak;
· geleding: een groepering binnen de school;
· huiswerkoverhoring: een al dan niet aangekondigde toets over het leerdeel van het huiswerk voor de
betreffende les;
· klachtencommissie: de schoolinterne klachtencommissie zoals bedoeld in de Regeling Ongewenst
Gedrag;
· klassenmentor: docent, aangewezen om een leerling of een groep leerlingen gedurende het
schooljaar te begeleiden;
· leerlingen: alle leerlingen die op school staan ingeschreven;
· leerlingenraad: een uit en door de leerlingen, volgens de voor onze school vastgestelde procedure,
gekozen groep;
· leertoets: een aangekondigde toets waarvoor de leerling door de docent aangegeven stof moet leren;
· medezeggenschapsraad: het vertegenwoordigend orgaan van de hele school, zoals bedoeld in
artikel 4 van de Wet Medezeggenschap Onderwijs;
· mentor: zie klassenmentor;
· onderwijs ondersteunend personeel: personeelsleden met een andere taak dan lesgeven, niet
behorend tot de schoolleiding;
· ouders: ouders, voogden, feitelijke verzorgers;
· overhoring: een toets die slechts over een deel van een hoofdstuk gaat en/of slechts circa 25
minuten duurt;
· personeel: allen die beroepshalve of in het kader van een opleiding aan de school verbonden zijn;
· proefwerk: een toets over een heel of enkele hoofdstukken;
· schoolbestuur: het bevoegd gezag, Stichting Carmelcollege;
· schoolleiding: de directie en de teamleiders;
· schoolmaatschappelijk werker: personeelslid dat in het bijzonder belast is met de begeleiding van
leerlingen met psycho-sociale problemen;
· teamleider: functionaris, aangewezen om allerlei coördinerende taken binnen een aantal leerjaren
uit te voeren;
· toetsen: elke schriftelijke of mondelinge opdracht die met een cijfer beoordeeld wordt dat meetelt
bij de bepaling van het rapportcijfer (zie ook: overhoring, huiswerkoverhoring, proefwerk, werkstuk);
· verslag, werkstuk enz.: een bijzondere toets die bij de bepaling van de rapportcijfers beschouwd
kan worden als een overhoring of als een proefwerk. De docent dient de door hem gemaakte keuze
aan de leerling mede te delen, voordat deze met de betreffende opdracht begint;
· werkstuk: zie verslag.
Betekenis
2. Het leerlingenstatuut regelt de rechten en plichten van leerlingen.
Vaststelling
3. Het leerlingenstatuut wordt (opnieuw) vastgesteld door de directie, nadat het ter instemming,
respectievelijk ter advisering aan de verschillende geledingen van de medezeggenschapsraad is
voorgelegd.
Het leerlingenstatuut wordt iedere twee jaar geëvalueerd.
Toepassing
4. Het leerlingenstatuut is bindend voor het bestuur, de ouders, de leerlingen en het personeel van de
scholengemeenschap. Dit geldt behoudens wettelijk vastgestelde bevoegdheden en reglementen.
Bekendmaking
5. Het leerlingenstatuut wordt opgenomen in de schoolgids en/of op de website van de school.
Handhaving
6. Bij vermeende onjuiste of onzorgvuldige toepassing van het leerlingenstatuut kan een ieder bezwaar
aantekenen bij degene die zodanig heeft gehandeld, met het verzoek de handelwijze in overeen
stemming te brengen met het leerlingenstatuut.
7. Indien de betreffende persoon zijn handelwijze dan niet in overeenstemming met het statuut wenst te
brengen, kan de klager zich overeenkomstig de interne Klachtenregeling Ongewenst Gedrag tot een ander personeelslid wenden.
Regels Over Het Onderwijs
8. Leerlingen en personeel mogen van elkaar verwachten dat ze zich voldoende inspannen om het
leerproces goed te laten verlopen en zijn daarop onderling dan wel door anderen aanspreekbaar.
Huiswerk
9. De docent geeft het huiswerk op voordat de bel gaat. Indien de docent het huiswerk regelmatig na de
bel opgeeft, mag de leerling dat huiswerk als niet opgegeven beschouwen, tenzij het in de geldende
studiewijzer vermeld staat.
10. De leerling die zijn huiswerk niet gemaakt of geleerd heeft, meldt dit bij aanvang van de les aan de
docent. Indien de docent de reden van de leerling niet aanvaardbaar acht, mag hij hiervoor een redelijke hoeveelheid extra werk opgeven.
11. Als een leerling lessen verzuimt, geeft dat nooit vrijstelling van het huiswerk dat in die lessen wordt opgegeven; ook na ziekte dient het huiswerk z.s.m. in orde gebracht te worden.
Het opgeven van toetsen
12. Toetsen kunnen niet onverwachts worden gehouden; dit geldt echter niet voor een overhoring van het leerdeel van huiswerk voor een bepaalde les.
13. Proefwerken moeten tenminste zeven dagen van tevoren worden opgegeven, samen met de bijbehorende stofomschrijving.
Indien een volgens de regels afgesproken toets niet kan doorgaan, doordat de betreffende les uitvalt, heeft de docent het recht de toets af te spreken voor de eerstvolgende of de tweede les, ook als daardoor niet voldaan wordt aan de hierboven genoemde termijn.
14. Tussen afsluiting van de behandeling van de toetsstof en de toets dient nog minimaal 1 les te zitten; dit geldt niet voor 1-uursvakken en ook niet voor onaangekondigde huiswerkoverhoringen.
15. In de leerjaren waarin schoolexamentoetsen worden afgenomen, kunnen bij de betreffende vakken alleen die toetsen afgenomen worden die in het programma van Toetsing en Afsluiting opgenomen zijn.
17. In niet-examenklassen mag voor de eerste dag na een vakantie van tenminste een week geen leertoets worden opgegeven. Dit geldt echter niet voor vakken die wekelijks slechts één uur in het rooster staan.
Gelijkwaardige toetsing binnen een leerjaar
18. Binnen een leerjaar geven de docenten van een vak evenveel en gelijkwaardige toetsen.
Diagnostische toetsen en onaangekondigde huiswerkoverhoringen vallen buiten deze regeling.
In geval van langdurige ziekte van leerling en/of docent kan afwijking in het aantal toetsen
onvermijdelijk zijn.
19. Binnen een leerjaar worden bij de beoordeling van één en dezelfde schriftelijke toets van een vak dezelfde normen gehanteerd, zowel wat betreft de beoordeling van de afzonderlijke antwoorden als wat betreft de omzetting van de behaalde score in een cijfer.
20. Bij het vaststellen van wijze waarop de behaalde score wordt omgezet in een cijfer, dragen de docenten er bij elke toets, uitgezonderd toetsen in de gewenningsperiode van het eerste leerjaar, zorg voor dat de leerling de cijfers van 1 t/m 10 kan scoren.
21. Binnen een leerjaar worden t.a.v. de beoordeling van mondelinge toetsen die bij de bepaling van het rapportcijfer als een proefwerk beschouwd worden, door de docenten van een vak duidelijke en zo gedetailleerd mogelijke afspraken gemaakt en schriftelijk vastgelegd, in de vorm van een tijdens en/of na afloop van het mondeling in te vullen scoreformulier. Bij PTA-vakken geldt deze regeling voor elke mondelinge schoolexamentoets.
22. Afwijking van de vastgestelde norm is alleen mogelijk in bijzondere situaties en met instemming van de betreffende collega's. Hierbij wordt zoveel mogelijk vermeden dat enige leerling benadeeld wordt.
Aantal toetsen per periode
23. In de leerjaren 1, 2 en 3 is het schooljaar verdeeld in twee semesters. Elk semester bestaat uit twee lesperioden.
24. In de leerjaren 1, 2 en 3 geeft elk vak per periode tenminste 2 proefwerken en per semester tenminste 4 proefwerken, tenzij de stofindeling van het boek dat niet mogelijk maakt; bij een éénuursvak mag het aantal proefwerken per semester beperkt blijven tot twee.
25. Indien een werkstuk, verslag etc. door de docent beschouwd wordt als een proefwerk, telt het mee bij de hierboven genoemde aantallen.
26. Ten aanzien van de leerjaren 1, 2 en 3 stelt de sectie per leerjaar vast hoeveel aangekondigde overhoringen gedurende een semester gegeven worden.
Onaangekondigde huiswerkoverhoringen (betreffende het leerdeel) in een leerjaar zijn alleen toegestaan, indien de sectie ten aanzien van dat leerjaar besloten heeft dat er overhoringen zullen plaatsvinden.
27. In de leerjaren 4H, 4V en 5v worden minimaal zes toetsen gegeven; in 4H en 4V worden twee van deze toetsen in de eerste periode gegeven.
28. In de leerjaren 4vmbo, 5havo en 6vwo geeft elk vak in de loop van het schooljaar tenminste 3 SE-toetsen.
Aantal toetsen per dag en per week
29. Aan een leerling kunnen voor een normale schooldag maximaal twee leertoetsen worden opgegeven. In een normale week kunnen in de klassen 1 t/m 3 per week maximaal zes leeroverhoringen en/of leerproefwerken opgegeven worden.In clusterleerjaren kunnen de bovengenoemde aantallen in uitzonderingssituaties overschreden worden; de docent dient hiervoor te overleggen met de teamleider.
In een toetsperiode mogen maximaal 3 leertoetsen per dag in het rooster geplaatst worden, met een maximum van 5 klokuren.
30. Naast het per dag toegestane aantal leertoetsen mag maximaal één toets afgenomen worden die geen voorbereiding vereist.
31. Voorafgaande aan toetsperiodes worden gedurende 3 (al dan niet lesvrije) schooldagen geen leertoetsen gegeven.
32. Indien een volgens de regels afgesproken toets niet kan doorgaan, doordat de betreffende les uitvalt, heeft de docent het recht de toets af te spreken voor de eerstvolgende of de tweede les, ook als daardoor het hierboven vastgestelde maximaal aantal toegestane toetsen overschreden worden.
Correctie en bespreken van toetsen
33. Teruggave en bespreking van gecorrigeerde toetsen geschieden in de regel binnen 10 lesdagen. Voor werkstukken, dossiers e.d. geldt een termijn van 15 lesdagen.
34. Correctie, bespreking en het ter inzage geven van een toets dienen in ieder geval plaats te vinden voordat een nieuwe toets over (gedeeltelijk) dezelfde leerstof gegeven wordt.
35. Een toets wordt altijd nabesproken in de klas. Hierbij worden de normen van de beoordeling door de docent meegedeeld en zonodig toegelicht.
36. Ook na de proefwerkweek aan het eind van het schooljaar heeft de leerling recht op inzage van het gemaakte werk, voordat de rapportvergadering plaatsvindt.
37. De docent kan, na bespreking van de toets in de klas, het gemaakte werk weer innemen om verspreiding van toetsen te voorkomen.
38. De leerling die het niet eens is met de beoordeling van een toets, tekent eerst bezwaar aan bij de betrokken docent. Wanneer dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, kan de mentor als bemiddelaar worden ingeschakeld. De vakdocent blijft echter verantwoordelijk voor de beoordeling.
39. Wanneer een vakdocent of een surveillant van mening is dat een leerling zich ten aanzien van een toets schuldig heeft gemaakt aan een onregelmatigheid (spieken, niet op tijd inleveren e.d.), meldt hij dit aan de betreffende teamleider. De teamleider stelt vervolgens de procedure in werking die voor de afhandeling van onregelmatigheden is vastgesteld.
Inhalen en herkansen van toetsen
40. Een leerling die, naar het oordeel van de docent en/of de teamleider, met een geldige reden een van tevoren opgegeven toets heeft gemist, heeft het recht de toets in te halen. De leerling kan ook door de docent tot inhalen verplicht worden.
41. Een leerling die een toets heeft gemist, meldt zich tijdens de eerstvolgende les van de betreffende docent bij zijn docent om plaats en tijdstip voor het inhalen van de toets af te spreken.
Indien de leerling zich niet op tijd bij de docent meldt, stelt de docent naar eigen inzicht plaats en tijdstip vast en deelt hij de leerling plaats en tijdstip mee.
Tussen de dag waarop de afspraak gemaakt wordt en de dag waarop de toets plaatsvindt, zitten in het geval het om een leertoets gaat, tenminste twee schooldagen. Deze termijn is niet van toepassing als de leerling de toets gemist heeft vanwege een, naar het oordeel van de docent en/of de teamleider, ongeldige reden.
42. Bij meeruursvakken heeft de onderbouwleerling recht op een herkansing van een toets waarvoor hij lager dan een 5.5 gescoord heeft, als die toets de enige toets is van de 1e, 2e, 3e, of 4e periode; bij eenuursvakken geldt dat recht alleen als die toets de enige toets is van het 1e of 2e semester.
43. Voor de klassen 4 t/m 6 geldt een aparte herkansingsregeling die deel uitmaakt van het Programma van Toetsing en Afsluiting van die leerjaren.
Bepaling van het rapportcijfer
44. Het schooljaar is verdeeld in vier lesperiodes. In de leerjaren 1, 2 en 3 worden de rapportcijfers aan het eind van elke lesperiode berekend op basis van alle toetsen die vanaf het begin van het schooljaar gemaakt zijn.
Van de cijfers voor overhoringen wordt per lesperiode een gemiddelde berekend. Zo'n gemiddelde telt 1x mee bij de bepaling van het rapportcijfer. Als een vak in elke lesperiode overhoringen geeft, zijn er voor de bepaling van het overgangsrapport dus vier gemiddelden van overhoringen; elk van die gemiddelden telt dan 1x mee.
De proefwerkcijfers van de 1e, 2e en 3e periode tellen bij de bepaling van de rapportcijfers ieder voor zich 1x mee. De proefwerkcijfers van de 4e periode tellen 2x mee.
46. In de leerjaren 1, 2 en 3 kan het afgeronde rapportcijfer voor een bepaald vak ten opzichte van het cijfer aan het eind van de vorige lesperiode van dat schooljaar slechts met twee punten dalen; in voorkomende gevallen worden het niet-afgeronde en het afgeronde rapportcijfer zoveel verhoogd als noodzakelijk is om deze maximaal toegestane daling niet te overschrijden, zonder dat de toetscijfers gewijzigd worden. Een daling van meer dan twee punten kan slechts plaatsvinden in overleg met de teamleider van het betreffende leerjaar, die de reden voor de afwijking vastlegt in het leerlingdossier.
47. Bij de bepaling van het cijfer voor het rapport wordt vanaf .50 naar boven afgerond; beneden .50 wordt naar beneden afgerond. Hierbij vindt niet eerst een afronding op één decimaal plaats.
Bevorderen en doubleren
48. Het besluit over wel of niet overgaan aan het einde van een schooljaar wordt genomen door de docentenvergadering naar aanleiding van het laatste rapport van de leerling.
49. De docentenvergadering maakt daarbij gebruik van de overgangsnormen die per leerjaar zijn vastgesteld en van de algemene regels voor bevorderen/doubleren.
50. Elke docentenvergadering kan bespreken of een overstap naar een ander onderwijstype gewenst dan wel noodzakelijk is. In de overgangsnorm van het betreffende leerjaar is aangegeven of de vergadering hierover een vrijblijvend advies dan wel een bindende uitspraak kan formuleren.
Regels over de school als organisatie en gebouw
Recht op medezeggenschap
51. De directie bevordert de totstandkoming en het functioneren van een leerlingenraad op school overeenkomstig het statuut van de leerlingenraad.
52. Activiteiten van de leerlingenraad vinden zoveel mogelijk buiten de lesuren plaats.
53. Leerlingenraadsleden kunnen voor hun werkzaamheden lesuren verzuimen na toestemming van de teamleider.
54. De leerlingen zijn ook vertegenwoordigd in de medezeggenschapsraad van de school. Naar deze raad worden door de leerlingen namelijk vier leerlingen afgevaardigd; deze leerlingen moeten minimaal in het derde leerjaar zitten en gedurende tenminste zes maanden aan onze school ingeschreven staan.
55. Leerlingenstakingen en andere "wilde" acties zijn niet toegestaan. Als leerlingen c.q. de leerlingenraad wenst deel te nemen aan een actie, wordt hierover tijdig overleg gepleegd met de teamleiders met het verzoek om medewerking te verlenen. In het vademecum van de school is hierover een protocol opgenomen; het protocol is op te vragen bij de teamleiders.
Privacy
56. Gegevens van leerlingen worden opgenomen in een leerlingenregister. Dit leerlingenregister staat onder verantwoordelijkheid van de directie. Op dit register en het leerlingvolgsysteem is het privacyreglement van toepassing; dit reglement is elders op deze website in te zien.
57. Een leerling heeft recht de gegevens die over hem en/of zijn ouders genoteerd zijn, in te zien, mits hierover vooraf contact is opgenomen met de schoolleiding en kan de schoolleiding verzoeken om correcties aan te brengen. De schoolleiding deelt de leerling binnen vijf schooldagen mee of de gewenste correcties uitgevoerd zullen worden.
58. Het leerlingenregister is toegankelijk voor:
· administratieve medewerkerse docenten van de leerling,
· de schooldecaan,
· de betreffende teamleider,
· de schoolmaatschappelijk werker,
· de directie.
Verder heeft niemand toegang tot het leerlingenregister, tenzij de schoolleiding en de leerling daartoe uitdrukkelijk toestemming verlenen.
59. Afgezien van wettelijke voorschriften worden de gegevens over een leerling en zijn ouders vernietigd, nadat de leerling de school heeft verlaten.
Ongewenst gedrag
60. Als een leerling zich onjuist behandeld voelt door een medeleerling of een lid van het schoolpersoneel, dan kan hij zich over dat gedrag beklagen conform de schoolinterne Klachtenregeling Ongewenst Gedrag.
61. Mocht de leerling, om welke reden dan ook, daar niet voor voelen, dan kan hij zich wenden tot de vertrouwensinspecteur.
Kledingvoorschrift
62. Leerlingen en personeel van de school zijn vrij in de keuze van hun kleding, tenzij deze een negatieve invloed kan hebben op de communicatie, (het gevoel van) de veiligheid, de mogelijkheid om personen te identificeren, de hygiëne of naar het oordeel van de schoolleiding anderszins niet passend is in de gemeenschap en werkomgeving die onze school is. Ten aanzien van de kleding gelden op grond hiervan onder andere de voorschriften voor personeel en leerlingen in artikel 63 tot en met 70 van dit statuut.
63. Het is verboden binnen de school of op het schoolterrein kleding of iets dergelijks te dragen die het gezicht (neus, mond, ogen, wangen) geheel of gedeeltelijk bedekt.
64. Het is verboden binnen de school een hoofddeksel van enigerlei aard te dragen dat het bovenste deel van het hoofd geheel of gedeeltelijk bedekt, tenzij dat hoofddeksel voortvloeit uit gewoonten of voorschriften van de eigen religie of naar het oordeel van de schoolleiding om andere (m.n. medische of psychische) redenen acceptabel is.
65. Het is verboden kleding te dragen die naar het oordeel van de schoolleiding dusdanig veel van het lichaam onbedekt laat, dat anderen in de school hierdoor in verlegenheid gebracht (kunnen) worden en/of zich hierdoor anderszins in hun communicatie met de betreffende leerling of docent belemmerd (kunnen) voelen.
66. Het is verboden kleding te dragen die voorzien is van een of meer teksten of afbeeldingen die naar het oordeel van de schoolleiding beledigend (kunnen) zijn voor individuen of groepen binnen of buiten de school.
67. Het is verboden kleding te dragen die naar het oordeel van de schoolleiding de veiligheid of de hygiëne in gevaar brengt.
68. Het is verboden kleding te dragen die naar het oordeel van de schoolleiding aantoonbaar spanningen bij leerlingen en/of medewerkers veroorzaakt of voedt die niet middels de gebruikelijke interventies te voorkomen of op te lossen zijn.
69. Het is verboden kleding te dragen die naar het oordeel van de schoolleiding anderszins niet passend is in de werkomgeving die de school vormt voor personeel en leerlingen.
70. Bovenstaande regels zijn van toepassing op het schoolterrein en in het schoolgebouw, tenzij in de formulering van de regel anders is aangegeven.
Orderegels
Absentie
71. De leerling mag geen enkele les verzuimen zonder voorafgaande toestemming van de teamleider.
72. In clusterleerjaren kan bij lesuitval door de betreffende teamleider aan individuele leerlingen verlof verleend worden, als de lesdag korter is dan de reistijd.
73. Als een leerling ziek is of om andere geldige reden één of meer lessen niet kan bijwonen, moeten de ouders of verzorgers dit dezelfde dag vóór 10 uur telefonisch aan de school melden. Leerlingen van achttien jaar en ouder kunnen deze melding zelf doen
74. Mochten er andere redenen zijn waarom een leerling één of enkele lessen moet verzuimen (bijvoorbeeld bezoek aan de dokter), dan moet diens ouder zelf dit uiterlijk 1 dag van tevoren schriftelijk melden bij de administratie: dus niet telefonisch en ook niet per mail.
75. Als een leerling op school ziek wordt, vraagt hij bij zijn teamleider toestemming om naar huis te gaan. Bij thuiskomst laat de leerling zo spoedig mogelijk de school weten (telefonisch via ouders of verzorgers), dat hij veilig thuis is aangekomen; de leerling van achttien jaar en ouder stelt de school zelf telefonisch van zijn thuiskomst op de hoogte.
76. Als een leerling niet aan de lessen lichamelijke opvoeding kan deelnemen, meldt hij zich bij het begin van de les met een briefje van de ouder(s) / verzorger(s) bij de docent om van deze te horen hoe verder te handelen.
Te laat in de les en spijbelen
79. Als een docent niet op tijd bij het lokaal verschijnt, meldt de klassenvertegenwoordiger dit bij de administratie. De overige leerlingen blijven, zonder de andere lessen te storen, wachten bij het lokaal
80. Wanneer een leerling spijbelt, moet hij het dubbele aantal uren inhalen dan wel een of twee weken van 08.00u tot 17.00u op school aanwezig zijn. Vanaf de tweede keer worden de ouders ingelicht.
Gedrag binnen en buiten de school
Eigendommen van leerlingen en van school
84. De school is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan of voor vermissing van fietsen, privégelden of privégoederen.
85. Gevonden voorwerpen dienen te worden afgegeven en afgehaald bij de conciërge.
86. De ouders van een minderjarige leerling die schade heeft veroorzaakt, worden hiervan door of vanwege de school in kennis gesteld. Ten aanzien van de aansprakelijkheid bij door leerlingen toegebrachte schade gelden de hierop betrekking hebbende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Straffen
87. Elk personeelslid is gerechtigd een leerling een redelijke straf op te leggen.
88. Het moet de leerling duidelijk zijn voor welke overtreding de straf gegeven wordt.
89. Elke docent is gerechtigd een leerling voor de duur van de betreffende les uit de les te verwijderen. Een verwijdering voor meer dan één les van hetzelfde vak kan alleen plaatsvinden door de teamleider, die hierover overleg pleegt met zijn locatiedirecteur.
Leerlingen die uit de les verwijderd worden, krijgen van de docent een rode kaart en melden zich hiermee direct bij de teamleider of diens plaatsvervanger.
90. Als een leerling zich, naar het oordeel van een personeelslid, ten aanzien van enig deel van het toetsprogramma aan een onregelmatigheid schuldig maakt, wordt de door de school vastgestelde onregelmatigheidsprocedure in werking gesteld. Deze regeling kan opgevraagd worden bij de teamleider of de locatiedirecteur.
Schorsing
91. Een leerling kan bij (herhaaldelijk) wangedrag door de schoolleider of de locatiedirecteur worden geschorst. Deze periode van schorsing kan volgens artikel 13 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs ten hoogste één week zijn.
92. Het besluit tot schorsing wordt schriftelijk en met vermelding van redenen door de schoolleider of door de locatiedirecteur aan de leerling en, indien hij nog niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, ook aan de ouders, voogden of verzorgers van de betrokkene meegedeeld.
Verwijdering
93. Als een leerling zich (herhaaldelijk) ernstig misdraagt, kan de voorzitter van de Centrale directie besluiten deze leerling definitief van school te verwijderen volgens de artikelen 14 en 15 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs. Definitieve verwijdering van een leerplichtige leerling vindt slechts plaats na overleg met de inspecteur.
94. De voorzitter van de Centrale directie maakt eerst het voornemen tot verwijdering aan de leerling en, indien hij nog niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, ook aan zijn ouders, voogden of verzorgers schriftelijk en met opgave van redenen bekend.
Voordat een leerling definitief wordt verwijderd, stelt de voorzitter van de Centrale directie de leerling en zijn ouders, verzorgers, voogden in de gelegenheid te worden gehoord.
95. Als de voorzitter van de Centrale directie besluit tot definitieve verwijdering, dan kunnen de leerling en zijn ouders, verzorgers, voogden binnen zes weken na bekendmaking van het besluit bezwaar maken bij het College van Bestuur van de Stichting Carmelcollege. Het College van Bestuur beslist binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift, doch niet dan nadat de leerling en, indien deze nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ook diens ouders/verzorgers/voogden in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord en kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen van de op die besluiten betrekking hebbende adviezen of rapportages.
96. Voordat een voornemen tot definitieve verwijdering wordt geëffectueerd, moet een andere school of instelling bereid zijn gevonden de betreffende leerling op te nemen.
Slotbepaling
97. In alle gevallen waarin dit statuut niet voorziet, beslist de directie, al dan niet na overleg met de betrokken partijen.